Zoete krakelingen van bladerdeeg

Hebben jullie dat ook zo vaak? Dat je in een winkel rondneust en allerlei leuke dingen ziet, helemaal enthousiast wordt en grootse plannen maakt, maar eenmaal gekocht het betreffende ingrediënt of voorwerp in de kast blijft liggen? Zo verging het de krakelingsteker die ik alweer een tijd terug aanschafte (en hij is niet het enige ding die dat lot onderging). Uiteindelijk wordt het allemaal wel gebruikt, daar niet van, maar vaak vraag ik me af waarom het zo lang moet duren. Dat vroeg ik me zeker af toen ik merkte hoe eenvoudig deze krakelingen te maken zijn en hoe heerlijk het resultaat is!
In dit geval maakte ik het bladerdeeg zelf, maar wil je het heel makkelijk doen? Dan kan je natuurlijk ook kant en klaar bladerdeeg nemen. Dit recept is goed voor ca. 15 zoete krakelingen, gestoken met een krakelingsteker van 8 cm. Heb je geen krakelingsteker? Geen nood, je kan ook reepjes van dit bladerdeeg snijden en dit in de vorm van een krakeling leggen. Wil je meer leren over het zelf maken van bladerdeeg? Dat kan! Ik geef een workshop ‘bladerdeeg en gerezen bladerdeeg’ waarin je alles leert over de theorie en van begin tot eind je producten helemaal zelf maakt.

Zoete krakelingen van bladerdeeg

Ingrediënten:

  • 200 gram korstbloem (verkrijgbaar bij o.a. de webshop van de Zuidmolen in Groesbeek)
  • 25 gram ongezouten roomboter
  • 105 gram koud water
  • 2 gram zout
  • 125 gram ongezouten roomboter op kamertemperatuur (Ik gebruik graag Melkan roomboter, deze wordt niet al te zacht op kamertemperatuur)
  • fijne kristalsuiker

Werkwijze:

  • Doe bloem, 25 gram roomboter, water en zout in een kom en kneed er een soepel deegje van waarvan je net geen stevig vlies kan trekken.
  • Verpak het deeg in huishoudfolie en leg in de koelkast.
  • Leg een vel bakpapier op je aanrecht en snijd de 125 gram roomboter in dikke plakken en leg deze in 2 rijen naast elkaar op het bakpapier.
  • Leg hierop een tweede vel bakpapier en vouw aan alle kanten de randen dicht tot je een pakketje van 20 x 30 cm. krijgt.
  • Vouw de vouwen extra scherp aan door er stevig met je nagel overheen te gaan.
  • Leg het pakketje met de vouwen naar beneden en rol de boter uit tot een gelijkmatige plak van 20 x 30 cm. De vouwen zorgen ervoor dat de boter in een mooie, rechthoekige vorm komt.
  • Leg de boter in de koelkast gedurende 45 minuten.
  • Rol het deeg uit op een licht met bloem bestoven werkblad tot een plak van 40 x 30 cm.
  • Haal nu pas de boter uit de koelkast en trek aan een kant voorzichtig het bakpapier eraf.
  • Leg de boter op de kop op het midden van het deeg, de lange zijde van de boter moet gelijk liggen met de korte zijde van het deeg.
  • Druk de boter aan op het deeg met een deegroller of deegschraper.
  • Trek nu voorzichtig en vlot het resterende vel bakpapier van de boter. Houd het papier dat je eraf trekt laag.
  • Vouw de nog niet bedekte zijkanten van het deeg naar het midden van de boter, als het goed is overlappen ze elkaar daar nét.
  • Vouw het deeg vanaf de korte kant in drieën.
  • Draai het deeg een kwartslag en vouw het nog eens in drieën.
  • Draai het deeg weer een kwartslag en rol het voorzichtig uit tot een formaat dat je nog eens in drieën kan vouwen.
  • Als het deeg het toelaat rol je het voorzichtig op een licht met bloem bestrooid werkblad uit tot 40 x 27 cm. Merk je dat het deeg steeds weer terugtrekt, dek het dan af met folie en laat het een kwartiertje rusten.
  • Steek de krakelingen uit met de krakelingensteker of snijd reepjes en vorm deze tot een krakeling. Werk zo dat je zo weinig mogelijk restdeeg overhoudt, dit is namelijk niet meer te gebruiken.
  • Strooi fijne kristalsuiker op een bord.
  • Bestrijk de krakelingen licht met water en haal ze aan de onder- en bovenkant door de fijne kristalsuiker en druk deze aan.
  • Leg de koekjes op een met bakpapier beklede bakplaat.
  • Laat ze een kwartier rusten en verwarm ondertussen de oven voor op 220 graden Celsius, conventioneel met onder- en bovenwarmte.
  • Bak de krakelingen in het midden van de oven gedurende 13-15 minuten.
  • Wil je de krakelingen een glimmend suikerlaagje geven? Zet dan nog even de grill aan op 230 graden Celsius. Blijf het proces vanaf nu volgen en haal de krakelingen direct uit de oven zodra ze glanzend en goudbruin zijn.

Bron: eigen recept

 

Friese keallepoat

Streekbaksels, ik vind ze altijd interessant. Er zijn zoveel varianten te vinden, en elke streek heeft zijn eigen ‘collectie’ waarbij al die baksels vaak ook nog eens hun eigen verhaal hebben. Zo heeft de Friese keallepoat (kalverpoot op zijn Nederlands) een lange geschiedenis. De Germanen offerden vroeger levende dieren aan de watergeest, als dank voor het vele water dat leven mogelijk maakte. Later werden deze levende offers vervangen door offers die symbool stonden voor, in dit geval,  levende kalveren. De keallepoat was geboren. Twee repen koek worden aan elkaar gehecht door hard te knijpen. De koek lijkt op de twee voorpoten van een kalf. Het is een taaitaai achtige koek, maar met een kortere afbeet dan taaitaai. Ook worden er als kruiden enkel wat steranijs en anijs gebruikt. Het bereiden van deze koek vraagt wat ervaring en precisie, maar als je het proces eenmaal onder de knie hebt, dan heb je ook iets heel lekkers en kan je ook aan de slag met andere rogge-koekdegen. Dit recept is geschikt voor 4 Friese keallepoaten en kan het beste gemaakt te worden met een solide standmixer of deegkneder.

Ingrediënten:

Gronddeeg:

  • 335 gram roggebloem (liefst type 00)
  • 120 gram water
  • 270 gram honing

Voor het doorbraken:

  • 90 gram witte basterdsuiker
  • 80 gram vloeibare, heldere honing
  • 4 gram gemalen steranijs
  • 2 gram gemalen anijs
  • 8 gram azijn
  • 12,5 gram bakpoeder (gezeefd)
  • zonnebloemolie om het deeg mee af te strijken

Werkwijze:

  • Zeef de roggebloem in een hittebestendige kom.
  • Zet deze kom boven een pan met water en verwarm deze au bain marie tot de bloem 30 graden Celsius is.
  • Verwarm ondertussen op matig vuur in een ruime steelpan (pas op, het mengsel gaat borrelen!) al roerend het water en de honing tot 103 graden Celsius.
  • Zet de kom in de standmixer met kneedhaak en giet er al draaiend de kokende honing bij.
  • Kneed tot alle droge stof is opgenomen en stop dan.
  • De deegtemperatuur moet minimaal 65 graden Celsius zijn.
  • Druk het deeg wat plat en verpak het deeg in huishoudfolie en eg het deeg in de koelkast.
  • Laat het deeg minimaal 24 uur rusten.
  • Meng in een kom de basterdsuiker,  honing, steranijs, anijs en azijn.
  • Kneed dit door het gronddeeg tot alles goed verdeeld is. Ga niet langer door dan nodig, anders overkneed je het deeg en gaat het ontzettend plakken.
  • Kneed nu het bakpoeder door het deeg en stop wederom zodra het goed verdeeld is.
  • Verdeel het deeg in 8 gelijke stukken.
  • Rol elk stuk uit tot een rol van ca. 16 cm. breed.
  • Leg de rollen twee aan twee op een met bakpapier beklede bakplaat.
  • Bestrijk het deeg licht met zonnebloemolie.
  • Knijp de twee rollen deeg op drie plaatsen stevig aan elkaar.
  • Verwarm de oven voor op 210 graden Celsius, conventioneel met onder- en bovenwarmte.
  • Zet de bakplaat in het midden van de oven en bak 9 minuten op 210 graden, bak vervolgens nog 8 minuten op 190 graden Celsius en daarna nog 5 minuten op 180.
  • Laat na het bakken even afkoelen op een rooster, maar zorg ervoor dat de koeken niet teveel uitdrogen.
  • Bewaarde koeken in een goed afgesloten trommel of plastic zak.

Bron: eigen recept geïnspireerd op een recept van Marten Boonstra

 

Kattentongen

Uit eigen onderzoek (zie Instagram en Facebook) kan ik jullie mededelen dat ik nu snap waarom katten niet kunnen praten, dat is namelijk schier onmogelijk met een kattentong in je mond! Miauwen lukt redelijk en dat is dan ook wat echte katten doen. Ik daarentegen heb mijn kattentong maar snel opgegeten zodat ik weer hele verhalen kon ophangen tegen mijn gezinsleden, iemand moet hier ten slotte de orders uitdelen 😉 Dit recept is zeer eenvoudig en goed voor ongeveer 50 kattentongen.

kattentongen

Ingrediënten:

  • 180 gram zachte grasroomboter op kamertemperatuur
  • 180 gram poedersuiker
  • 1,5 gram zout
  • 3,5 gram vanillearoma
  • 100 gram losgeklopt ei op kamertemperatuur (= ca. 2 eieren maat M)
  • 200 gram bloem

Werkwijze:

  • Verwarm de oven voor op 190 graden Celsius, conventioneel met boven- en onderwarmte.
  • Roer de boter los in een kom.
  • Zeef de poedersuiker boven dezelfde kom en voeg het zout toe. Roer door tot alles is opgenomen.
  • Voeg het vanillearoma en het losgeklopt ei toe en roer rustig tot het geheel is opgenomen.
  • Zeef de bloem boven de kom en roer ook deze rustig tot deze is opgenomen, roer zeker niet te lang, anders vloeit het koekje niet mooi uit.
  • Bekleed een bakplaat met bakpapier.
  • Doe het deeg over in een spuitzak met een rond spuitmondje van ca. 9 mm.
  • Spuit op ruime afstand van elkaar streepjes van ca. 6 cm lang.
  • Zet de bakplaat in het midden van de oven en bak ca. 11 minuten of tot de randjes goudbruin kleuren en het midden ook een tikje goudbruin wordt, maar nog wel licht van kleur is.
  • Bak de platen het liefst na elkaar.
  • Laat de koekjes die klaar zijn afkoelen op een rooster.
  • Bewaar in een goed afgesloten trommel.

Bron: dit recept is geïnspireerd op een recept van het NBC uit het boek “banketbakkersproducten”.

Stroopkoeken

Onlangs kreeg ik van de eigenaresse van Habitas kookwinkel de vraag of ik het boek “de wereld van de stroopwafel” wilde bekijken en vooral eerlijk mijn mening wilde geven. Mijn eerste indruk was dat het een leuk boek was. Het boek gaat over alle mogelijke aspecten van de stroopwafel;  korte gedichten en verhalen, de geschiedenis, ingrediënten, verhalen van ondernemers van over de hele wereld die met de stroopwafel aan de slag zijn gegaan en natuurlijk recepten. Wat mij betreft zijn de gedichten en verhalen geen waardevolle toevoeging. De geschiedenis daarentegen vond ik erg interessant. Voor de verhalen over de ondernemers alleen zou ik het boek niet enkel kopen, maar het maakte me al lezend wel erg enthousiast over wat deze mensen hebben gedaan en dat was erg inspirerend, toch een leuke toevoeging dus! De uitleg over de ingrediënten was ook interessant, maar klopte helaas niet helemaal. Zo stond hier in dat tarwebloem minder gluteneiwitten bevat dan andere soorten bloem. Hier wordt waarschijnlijk Zeeuwse tarwebloem bedoeld, want gewone tarwebloem bevat zeker glutenvormende eiwitten. Daarmee komen we ook automatisch bij de recepten. Ik koos het recept voor stroopkoeken uit om te proberen. Om mijn oordeel zuiver te houden heb ik geprobeerd al mijn ervaring en bakgevoelens te onderdrukken en puur te doen wat er in het recept stond. Dat werd helaas niet wat ik gehoopt had. De koeken verdwenen in de prullenbak.
De stroopkoeken hadden wel mijn interesse gewekt, dus ben ik eens in andere boeken gaan kijken naar recepten. Daar stuitte ik op een recept van Cees Holtkamp dat precies leek op het recept uit het boek over de stroopwafel. Een aantal (voor het slagen van het eindresultaat) essentiële dingetjes waren veranderd. Dit doet mij vermoeden dat de schrijvers weliswaar een grote merkbare passie voor stroopwafels hebben, maar niet perse een grote diepgaande bakkennis.
Ondertussen zat ik nog steeds met de knagende vraag hoe je goede stroopkoeken bakt, dus ging mijn zoektocht verder. Ik vond in het Calvé bakkersboek (schijnbaar verkocht Calvé vroeger niet alleen slasaus, mayonaise en pindakaas, maar ook bakkersproducten) een recept voor caramelwafels. Dit was iets anders dan wat ik zocht, maar met een aantal aanpassingen had ik een perfect recept voor stroopkoeken. Dit recept is goed voor 18 stroopkoeken, maar misschien is het beter het recept te verdubbelen… na een aantal te hebben uitgedeeld aan buren, vrienden en mijn gezin was de trommel wel heel snel weer leeg… Ik kreeg er wel veel complimenten voor terug, dat was erg leuk!

stroopkoeken

Ingrediënten:

Koek:

  • 250 gram Zeeuwse bloem (heb je deze niet, gebruik dan goedkope tarwebloem uit de supermarkt)
  • 5 gram bakpoeder, gezeefd
  • 125 gram ongezouten roomboter, koud en in blokjes
  • 1 gram zout
  • 165 gram witte basterdsuiker
  • 15 gram volle melk
  • 20 gram losgeklopt ei

Stroop:

  • 66 gram blanke stroop
  • 66 gram bruine keukenstroop
  • 100 gram blanke basterdsuiker
  • 20 gram ongezouten roomboter
  • 2 gram gemalen kaneel

Werkwijze:

  • Meng bloem en bakpoeder in een kom goed door elkaar.
  • Voeg de in blokjes gesneden, koude roomboter toe en wrijf dit door de bloem tot je een egaal zanderig mengsel hebt.
  • Meng nu zout en basterdsuiker door het bloemmengsel.
  • Voeg melk en ei toe en knijp het tot een glad deeg. Kneed zo kort mogelijk.
  • Verpak het deeg in huishoudfolie en laat drie kwartier rusten in de koelkast.
  • Verwarm de oven voor op 175 graden Celsius, conventioneel met onder- en bovenwarmte.
  • Bekleed 3 bakplaten met bakpapier.
  •  Rol het deeg op een licht met bloem bestoven werkblad uit tot 2-3 mm. dikte.
  • Steek met een ronde steker van 8,5 cm. koeken uit en leg deze met enige tussenruimte op de bakplaten. Bij mij pasten er 12 koeken op een plaat.
  • Wil je de stroopkoeken dezelfde looks geven als in de winkel: maak dan nu met een deegsteker of mes blokvormige inkepingen in het deeg.
  • Bak de koeken (1 plaat per keer) in het midden van de oven, tot ze goudbruin zijn, in ca. 11 minuten.
  • Schuif de koeken met bakpapier en al op een rooster, laat ze iets afkoelen (zodat ze iets uitharden) en schuif ze voorzichtig van het bakpapier op de roosters om ze volledig af te laten koelen.
  • Doe alle ingrediënten voor de stroop in een steelpan en verwarm dit al roerend tot 120 graden Celsius.
  • Doe ca. 1,5 eetlepel stroop op een koek (Pas op voor je vingers, want de stroop is erg heet!) en leg hier al draaiend een andere koek bovenop.
  • Laat verder afkoelen.
  • Bewaar in een goed afgesloten trommel.

Bron: vrij naar een recept uit Calvé bakkersrecepten.

 

Basler Leckerli

Basler Leckerli (of Läckerli) is een koek die van oorsprong uit Zwitserland komt. Ik had mijn Zwitserse buurvrouw er al een aantal keren over gehoord, dus toen ik hem in een Duits bakboek tegen kwam, besloot ik hem eens te maken. Alle ingrediënten had ik in huis, behalve de Kirsch die voor het glazuur nodig was. Ik drink geen alcohol, en ook met het oog op de kinderen wilde ik liever geen alcohol gebruiken. Dus moest ik op zoek naar een vervanger voor de Kirsch. Dat werd het sap van een pot kersen op sap. Deze vervanger maakte wel dat mijn buurvrouw bijna verschrikt uitriep dat het wel een Friese oranjekoek leek! Ik snapte haar opmerking volledig, want daar heeft het nu (ook qua ingrediënten) wel iets van weg. Maar toen ik voorstelde om het glazuur dan maar te bleken met wat bleekmiddel zodat het weer wit zou worden zoals het hoort, vond ze dat toch geen goed plan. Zwitserse oranjekoek it was dus. Ik had geen idee hoe de koek hoorde te smaken, maar hij werd goedgekeurd door de expert! Weer wat nieuws leren kennen, wat zijn al die specifieke baksels die van land tot land verschillen toch leuk! Met dit recept kan je een flinke plaatkoek maken van 30 x 25 cm. Ik haalde er zo’n 50 stukken uit, maar het is maar net welk formaat je snijdt.

Ingrediënten:

Koek:

  • 250 gram honing
  • 250 gram kristalsuiker
  • 60 gram water
  • 0,5 gram zout
  • 400 gram tarwebloem
  • 6 gram bakpoeder (gezeefd)
  • geraspte schil van 1 biologische citroen
  • 2 gram gemalen kruidnagel
  • 2,5 gram gemalen kaneel
  • 0,2 gram nootmuskaat
  • 50 gram gekonfijte sinaasappelschil in blokjes
  • 100 sukade in blokjes
  • 100 gram amandelmeel
  • 100 gram grofgehakte amandelen

Glazuur:

  • 190 gram poedersuiker
  • ca. 45 gram kersensap of kirsch

Werkwijze:

  • Verwarm de oven voor op 180 graden Celsius, conventioneel met onder- en bovenwarmte.
  • Doe de honing, de suiker, het zout en het water in een steelpan, breng dit aan de kook en roer door tot alle suiker goed is opgelost.
  • Doe in een kom de bloem, het gezeefde bakpoeder, de citroenrasp, de specerijen, de gekonfijte sinaasappelschil, de sukade, het amandelmeel en de grofgehakte amandelen en meng dit goed.
  • Giet het tot kamertemperatuur afgekoelde honingmengsel bij het bloemmengsel en kneed dit tot een samenhangend deeg dat nog wel plakkerig zal zijn.
  • Bekleed een bakplaat met bakpapier.
  • Stort het deeg op de bakplaat, bestrooi het met wat bloem en rol het uit tot een rechthoek van ca. 30 x 25 cm en 1 cm dik.
  • Werk de zijkanten bij tot ze recht zijn.
  • Zet de bakplaat in het midden van de oven en bak gedurende ca. 25 minuten.
  • Haal voorzichtig van de bakplaat en laat afkoelen op een rooster.
  • Maak in een kom het glazuur door de poedersuiker beetje bij beetje met het kersensap te mengen tot een glanzend glazuur dat als het van je lepel af valt eventjes in de vorm blijft staan en dan uitvloeit.
  • Bestrijk de bovenkant van de koek met het glazuur. Dit gaat makkelijk met een glaceermes of een rechte pannenlikker.
  • Laat het glazuur goed uitharden voordat je de koek aansnijdt.
  • Snijd in stukjes, in het boek werd 6×4 cm aangeraden, ik heb ze nog een keer door de helft gedaan.

Bron: “1000 Backideen, Das Backbuch fürs Leben” diverse schrijvers.

 

Glutenvrije gevulde koeken

Bij het opruimen en controleren van mijn voorraad kwam er een pak glutenvrij zelfrijzend bakmeel opduiken die bijna aan de datum was. Deze was nog over de workshop oranjekoek bakken die ik had gegeven aan iemand met coeliakie. Pas kreeg ik ook de vraag of ik bij de workshop “koeken en koekjes” een glutenvrije variant kon doen. Dit samen maakte dat ik dat mooi eens kon proberen op deze glutenvrije gevulde koeken. Na een paar aanpassingen kreeg ik deze heerlijke gevulde koeken, ook erg lekker voor mensen voor wie het niet noodzakelijk is om glutenvrij te eten. Dit recept is goed voor 6 glutenvrije gevulde koeken.

glutenvrije gevulde koeken

Ingrediënten:

Deeg:

  • 130 gram glutenvrij zelfrijzend bakmeel (Ik gebruikte Vrij van gluten, zelfrijzend bakmeel van Albert Heijn)
  • 70 gram ongezouten roomboter, koud en in blokjes
  • 65 gram witte basterdsuiker
  • 1 gram zout
  • 0,6 gram gemalen kaneel
  • 13 gram losgeklopt ei

Vulling:

  • 55 gram amandelmeel
  • 55 gram kristalsuiker
  • 5,5 gram citroenrasp
  • 30 gram losgeklopt ei

Afwerking:

  • 1/2 losgeklopt ei
  • 6 garneeramandelen

Werkwijze:

  • Doe het glutenvrije zelfrijzend bakmeel in een kom en wrijf de koude blokjes boter erdoorheen, ga door tot alle grote stukken boter klein zijn. Je krijgt nu een zanderig mengsel, het hoeft nog niet samen te komen.
  • Meng nu de basterdsuiker, zout en kaneel door het mengsel.
  • Voeg het ei toe en kneed tot een samenhangende bal deeg.
  • Verpak het deeg in huishoudfolie en leg in de koelkast om terug te koelen.
  • Maak nu de spijs.
  • Meng amandelmeel, suiker en citroenrasp in een kom.
  • Voeg het ei toe en meng tot een dikke, gelijkmatige brij.
  • Verpak ook dit in huishoudfolie en leg in de koelkast.
  • Ideaal gezien laat je de smaken een nachtje trekken. Heb je deze tijd niet, laat het deeg dan minimaal een half uur in de koelkast liggen.
  • Verwarm de oven voor op 215 graden Celsius, conventioneel met onder- en bovenwarmte.
  • Rol het deeg uit op 3 mm dikte op een met glutenvrije bloem bestoven werkblad.
  • Steek met een geschulpte steker (glad mag natuurlijk ook) van 8,5 cm 12 cirkels uit.
  • Leg 6 deegplakjes met voldoende afstand tot elkaar op een met bakpapier beklede bakplaat.
  • Verdeel de spijs in 6 gelijke bolletjes en leg deze in het midden van de plakjes deeg.
  • Bevochtig met een vinger de randen van de plakjes en leg op elk plakje met spijs 1 van de 6 overgebleven plakjes.
  • Druk elk plakje aan zodat de spijs zich rustig verdeeld over de koek, tot een halve cm van de rand af.
  • Druk met een vork de randjes voorzichtig dicht; steek niet door het deeg heen.
  • Bestrijk de koeken met losgeklopt ei en druk de amandel in het midden van de koek.
  • Laat het eistrijksel aandrogen en bestrijk nog een keer. Doe dit zorgvuldig, want je ziet na het bakken precies waar je een plekje bent vergeten!
  • Bak de koeken in het midden van de oven gedurende 13-14 minuten tot ze mooi goudbruin zijn.
  • Laat afkoelen op de bakplaat.

Bron: eigen recept

Suikervrije spritsen

Onlangs gaf ik een hele geslaagde workshop “koekjes en koeken”. We maakten daarbij gevulde koeken, Amsterdamse koggetjes en spritsen. Hoewel dat allemaal heerlijke koeken en koekjes zijn, zijn ze in de traditionele variant wat minder geschikt voor mensen die op hun suikerinname willen letten. Vanzelfsprekend kan je het ook bij één koekje laten en niet direct de hele trommel leegeten. Al is dat natuurlijk een behoorlijk lastige opgave met zulke smakelijke, zelfgemaakte koekjes 😉  Van één van de deelnemers -die het liefst suikerarm en/of suikervrij wil eten- kreeg ik de vraag of het niet wat minder kon met de suiker in koekjes. Op zich is dat een lastige omdat suiker een belangrijke functie vervult in het maken van een bros, knapperig en bruin koekje. Wetende wat de suiker voor functie vervult, had ik mijn twijfels, maar toen ik dit recept bedacht, bleek het heel erg mee te vallen! Het koekje ziet er iets hakkeliger uit dan een ‘normale’ sprits, maar wat heel belangrijk is; de lijnen van het spuitmondje bleven mooi staan! De buitenkant was lekker bros, de binnenkant iets zachter dan een “normale” sprits. De banaan zoet het koekje en proef je ook wel terug, maar dat is maar heel weinig. Dit recept is goed voor 12 suikervrije spritsen.

suikervrije spritsen

Ingrediënten:

  • 100 gram zachte, ongezouten grasroomboter op kamertemperatuur
  • 5 gram citroenrasp
  • 0,8 gram zout
  • 14 gram losgeklopt ei
  • 90 gram rijpe banaan, geprakt
  • 125 gram patentbloem
  • 1,4 gram bakpoeder, gezeefd

Werkwijze:

  • Verwarm de oven voor op 150 graden Celsius, conventioneel met onder- en bovenwarmte.
  • Wrijf de zachte roomboter samen met de citroenrasp en het zout luchtig op je werkbank. De boter moet heel licht van kleur worden en zalfig worden.
  • Voeg het ei toe en wrijf tot dit helemaal is opgenomen.
  • Wrijf de geprakte banaan door de boter tot het helemaal is opgenomen.
  • Meng het bakpoeder door de bloem heen.
  • Voeg het bloemmengsel bij de roomboter en wrijf een dikke minuut tot alles is opgenomen en je een glad, wit mengsel hebt.
  • Schep dit in een spuitzak met een gekarteld spuitmondje van 11 mm.
  • Spuit ongeveer 12 rondjes op een met bakpapier beklede bakplaat.
  • Bak de koekjes in het midden van de oven gedurende ca. 48 minuten goudbruin. Doe een aantal minuten voor het einde van de baktijd de ovendeur even open om de stoom uit de oven te laten. Door de koekjes 48 minuten op 150 graden, krijg je brosse koekjes die nauwelijks naar banaan smaken. Je kan de koekjes ook op 160 graden Celsius bakken gedurende 33 minuten, dan zijn de koekjes wat zachter, maar ook wat zoeter.
  • Laat de koekjes afkoelen op een rooster en bewaar in een trommel. Waarschijnlijk zijn deze koekjes door het gebrek aan suiker en het iets hogere vochtgehalte dan normaal wat minder lang houdbaar dan suikerrijke koekjes. Ik heb dit echter niet kunnen uitproberen, want de trommel was zó leeg!

Bron: eigen recept

Chocolademacarons

In de kerstvakantie (ja, alweer een tijdje geleden) was mijn jongste zoon van 8 lekker bezig in de keuken. Eerst had hij een verrukkelijke brownie met hazelnoten uit de Bakbijbel van Rutger van den Broek gemaakt. Apetrots was hij toen hij een dikke like kreeg van Rutger himself op Instagram! Het recept voor de ultieme brownie staat op de site van Rutger van den Broek: “Rutger bakt”.
Het is een boek dat mensen hier bij de workshops ook regelmatig uit de kast trekken, en terecht. Het is een heerlijk no-nonsense boek. Recept opzoeken dat je wilt maken, ingrediënten verzamelen en bakken maar. Duidelijk omschreven en tot nu toe klopten de recepten die we er uit hebben gemaakt altijd. De recepten zijn zelfs zo duidelijk omschreven dat zoonlief van 8 er prima mee uit de voeten kan. Ik heb hem enkel geholpen met de hete suikersiroop.
De brownie smaakte naar meer (dat vonden de buren aan wie hij had uitgedeeld ook 😉 ) Dus werd zijn volgende project het maken van chocolademacarons. Macarons zijn heerlijk, maar ook best lastig om te maken. Ik had zoonlief nog zó gewaarschuwd…en verdorie…meneer maakt direct de eerste keer dat hij ze maakt in zijn leven direct de perfecte macaron… Lichtelijk jaloers concludeer ik dat óf het boek van Rutger werkelijk perfect is, óf dat ik een zoon heb die bij mij goed de kunst heeft afgekeken óf dat dit gewoon beginnersgeluk was. Wat het ook is, er is (ook dit keer weer mede door de buren) heerlijk van gesmuld. Ik ben benieuwd wat zoonliefs volgende bakproject wordt! Dit recept is goed voor ca. 30 macarons.

Ingrediënten:

Macaronschelpen:

  • 40 gram cacaopoeder
  • 180 gram amandelmeel
  • 180 gram poedersuiker
  • 160 gram eiwit
  • 0,2 gram zout
  • 55 ml water
  • 200 gram suiker

Vulling:

  • 200 gram melk of pure chocolade
  • 150 gram slagroom
  • 40 gram ongezouten roomboter op kamertemperatuur

Werkwijze:

  • Teken op twee vellen bakpapier 60 cirkels van 3,5 cm doorsnede. Houd enige ruimte tussen de cirkels.
  • Leg dit bakpapier met de kant waarop je hebt getekend naar beneden op een ander vel bakpapier. Bekleed hier twee bakplaten mee.
  • Roer de cacao door het amandelmeel en meng met de poedersuiker.
  • Meng hier 85 gram van het eiwit doorheen.
  • Doe de overige 75 gram eiwit en het zout in een hittebestendige en vetvrije kom.
  • Verwarm het water met de suiker in een steelpan.
  • Als de siroop 114 graden Celsius heeft bereikt, begin je met het opkloppen van de eiwitten, als de siroop de temperatuur van 118 graden Celsius heeft bereikt, giet je deze straalsgewijs bij het op te kloppen eiwit. Probeer de garde hierbij niet te raken.
  • Klop het schuim verder tot het ongeveer is afgekoeld tot 35 graden Celsius.
  • Spatel een kwart van het schuim voorzichtig door het amandelmengsel.
  • Spatel vervolgens voorzichtig de rest van het eiwit door het mengsel. Het mengsel is goed als het langzaam van je spatel afloopt.
  • Doe het mengsel in een spuitzak met een glad spuitmondje van 11 mm.
  • Spuit de getekende cirkels netjes tot aan de rand vol.
  • Tik een paar keer met de bakplaat op het aanrecht om grote luchtbellen uit het mengsel te verwijderen.
  • Laat in ieder geval een uur aan de lucht drogen. Afhankelijk van de luchtvochtigheid kan dit langer of korter duren. Er moet zich een dun, droog korstje op de schelpen hebben gevormd.
  • Maak ondertussen de vulling.
  • Hak de chocolade voor de vulling in kleine blokjes.
  • Smelt deze au bain marie.
  • Verwarm ondertussen in een ander pannetje de slagroom tot net onder het kookpunt.
  • Haal de pan van het vuur en meng met de gesmolten chocolade.
  • Voeg de boter toe en meng tot een gladde en egale pasta.
  • Dek de pan af en laat afkoelen op een koele plek tot deze stevig, doch smeerbaar is geworden.
  • Verwarm de oven tijdig voor op 150 graden Celsius, conventioneel, boven- en onderwarmte.
  • Bak één plaat per keer in het midden van de oven gedurende ongeveer 17-20 minuten
  • Open de oven op de helft van de baktijd eventjes zodat de stoom kan ontsnappen.
  • Laat de macarons na het bakken afkoelen op een rooster op het bakpapier waarop ze zijn gebakken.
  • Steek de schelpen los van het papier zodra ze zijn afgekoeld en verdeel de vulling over de helft van de schelpen. Druk op elke schelp met vulling een andere schelp en klaar zijn je macarons! Een kind kan de was..euh macarons doen!

Bron: naar een recept uit het boek “Bakbijbel, Rutger bakt van A tot Z” door Rutger van den Broek.

Amsterdamse koggetjes / nougatientjes

Het Amsterdamse koggetje of het nougatientje is in 1934 ontstaan bij een wedstrijd voor het bedenken van een nieuw   Amsterdams koekje. Een lid van de neutrale bakkerij vereniging won en de Katholieke bakkerijvereniging Sint Nicolaas stond even met lege handen. Het Amsterdamse koggetje werd in speciaal ontworpen koekblikken verkocht, enkel bij de neutrale bakkers. Als tegenreactie hierop ontwikkelden de leden van Sint Nicolaas een ander koekje: het Amsterdamse geveltje. Ook hiervoor werd een speciaal blik ontworpen en de verkoop was speciaal voorbehouden aan Katholieke bakkers. Het Amsterdamse koggetje is tegenwoordig verkrijgbaar door heel Nederland, het Amsterdamse geveltje lijkt een stille aftocht te hebben gehad, want ik kan hier niets meer over vinden. De naam koggetje komt uit het oude gemeentewapen van Amsterdam; hier stond een kort en breed vrachtschip op afgebeeld: een kogge. De andere naam nougatientje verwijst ongetwijfeld naar de nougat die in het koekje zit. De ene bakker gebruikt hiervoor suiker en amandelschaafsel, sommige recepten gaan ook uit van enkel gekarameliseerde suiker. Amsterdamse koggetjes worden gemaakt van een roerdeeg. Dit is een deeg met relatief veel boter en suiker waardoor het sterk uitvloeit. Het deeg wordt geroerd en niet luchtig gewreven zoals bij bijv. spritsen die van een wrijfdeeg gemaakt zijn. Met dit recept maak je ca. 40 koekjes.

Amsterdamse koggetjes / nougatientjes

Ingrediënten:

Nougat (je houdt wat over, dit is voldoende voor twee keer volgens dit recept koggetjes maken):

  • 100 gram lichtbruine rietsuiker
  • 33 gram water
  • 16,5 gram ongezouten roomboter

Deeg:

  • 150 gram zachte, ongezouten grasroomboter op kamertemperatuur (deze botersoort wordt goed zacht op kamertemperatuur, dit vergemakkelijkt het spuiten)
  • 130 gram witte basterdsuiker
  • 1 gram zout
  • 20 gram losgeklopt ei
  • 150 gram Zeeuwse bloem (ook wel patisseriebloem of banketbakkersbloem genoemd) Heb je dit niet, haal dan een goedkoop pak bloem uit de supermarkt.
  • 60 gram nougat

Werkwijze:

  • Begin met het maken van de nougat.
  • Doe in een pan de rietsuiker, het water en de boter.
  • Verwarm dit zonder te roeren tot 150 graden Celsius.
  • Giet het zeer hete mengsel uit op een met bakpapier beklede bakplaat tot een dunne plak.
  • Laat afkoelen.
  • Snijd in stukjes.
  • Maak nu het koekdeeg.
  • Verwarm de oven op 160 graden Celsius, conventioneel met onder- en bovenwarmte.
  • Roer de roomboter glad.
  • Roer de basterdsuiker en het zout door de boter.
  • Roer het ei door het mengsel.
  • Roer tot slot de bloem door het mengsel tot alles opgenomen is.
  • Neem 60 gram van de gesneden karamel en roer dit door het deeg.
  • Doe het deeg over in een spuitzak met een glad spuitmondje van 13 mm en spuit dopjes op een met bakpapier beklede bakplaat van ca. 2,5 cm doorsnede.
  • Houd voldoende ruimte tussen de koekjes, ze vloeien namelijk erg uit tijdens het bakken.
  • Bak de koekjes in het midden van de oven gedurende ca. 16-18 minuten, tot de randjes goudbruin kleuren.

Bron: dit recept is geïnspireerd op een recept van het NBC uit het boek “banketbakkersproducten”

Kerstkransjes met greinsuiker

Hier (en vast bij veel andere gezinnen met schoolgaande kinderen) is het elk jaar weer hetzelfde liedje: wat ga je bijdragen aan het kerstdiner op school? Uiteraard wordt er van ons verwacht dat wij iets meebrengen dat gebakken is. Al meerdere keren ging er een broodkerstboom mee, sterbroodjes waren ook al een aantal keren een groot succes evenals de mini kerststolletjes. Maar na al die jaren moest er toch weer eens wat nieuws verzonnen worden. De kinderen hebben dit jaar beiden ingetekend voor het nagerecht en vonden dat je daarbij best kerstkransjes kan eten. Aangezien zo’n kerstdiner meestal toch een heerlijke kakofonie is van wat iedereen meebrengt, kan dit er ook best bij. Gistermiddag maakte ik met de kinderen deze leuke kerstkransjes. Leuk voor in de kerstboom en lekker om te eten! Ze werden bestrooid met greinsuiker (de suiker die je ook op Janhagel vindt), dit is onder andere te koop bij bakwinkels en molens. Mocht je dit niet in huis hebben, dan zou je ook (grove) kristalsuiker kunnen gebruiken.  Ik stak de kransjes uit met een sconesteker omdat deze een mooie geribbelde rand heeft. Je kan ook een stervorm of sneeuwvlokvorm gebruiken. De binnenkant stak ik met een glad, rond klein vormpje uit. Trek hier eventueel een rood lintje door voor het ophangen. Dit recept is goed voor ca. 25-30 kransjes.

Ingrediënten:

  • 200 gram (evt. Zeeuwse) bloem
  • 120 gram ongezouten, koude roomboter, in kleine blokjes
  • 80 gram witte basterdsuiker
  • 4 citroenrasp (ik gebruikte uit een potje van Dr. Oetker)
  • 1 gram baking soda
  • 1 gram zout
  • beetje eidooier
  • losgeklopt ei voor het bestrijken
  • greinsuiker

Werkwijze:

  • Doe de  bloem in een kom, doe hier de blokjes roomboter bij en wrijf tussen je vingers tot een zanderig mengsel.
  • Meng de basterdsuiker, citroenrasp, baking soda en zout door het mengsel.
  • Voeg beetje bij beetje wat eidooier toe tot het mengsel tot een samenhangende bal geknepen kan worden.
  • Druk het deeg wat plat en verpak het in huishoudfolie.
  • Laat het deeg in ieder geval een half uur rusten in de koelkast.
  • Verwarm de oven voor op 170 graden Celsius, conventioneel, met onder- en bovenwarmte.
  • Rol het deeg uit op een met bloem bestoven werkblad tot ca. 3 á 4 mm.
  • Steek de koekjes uit en steek precies in het midden met een kleine steker het gat uit.
  • Leg ze op voldoende afstand van elkaar op een met bakpapier beklede bakplaat.
  • Bestrijk het deeg licht maar dekkend met losgeklopt ei.
  • Bestrooi met greinsuiker en bak direct in het midden van de oven tot de koekjes mooi goudbruin en gaar zijn. Dit duurt ca. 15 minuten.

Bron: dit recept is geïnspireerd op een recept uit het boek Banketbakkersproducten van het NBC